Nekklachten door het EMGO-instituut van de faculteit der
geneeskunde van de VU te Amsterdam, is in samenwerking met 42 huisartsen
een onderzoek uitgevoerd naar de behandeling van nekklachten. In het
onderzoek werden de effecten en de kosten onderzocht van manuele
therapie, HAPTONOMIE en behandeling door de huisarts.
Voor patiënten met ernstige nekklachten had manuele therapie duidelijk
het grootste effect; voor patiënten met lichte klachten leek
HAPTONOMIE de beste keuze.
De onderzoekers concluderen dat manuele therapie niet alleen
effectiever, maar ook kosteneffectiever is bij deze patiëntengroep. De
gemiddelde kosten per patiënt gedurende een jaar waren voor manuele
therapie 447, voor HAPTONOMIE 1.297 en voor huisartsenzorg
Heupklachten in februari 2004 promoveerde aan de Vrije Universiteit
Amsterdam Dr. H. Hoeksma. In het Haagse Leyenburgziekenhuis deed hij
onderzoek waarbij twee groepen oudere patiënten met heupklachten, veelal
arthrose, werden vergeleken. De éne groep werd behandeld met manuele
therapie, de andere groep door middel van oefentherapie onder leiding
van een fysiotherapeut.
Ruim 80 procent van de personen die door de manueel therapeut werd
behandeld, zei dat de klachten waren verlicht. Bij de groep die
oefentherapie kreeg, was dit 50 procent.
Manuele therapie helpt ook langer dan oefentherapie. Tot zes maanden na
de behandeling hadden patiënten profijt van de manueel therapeut.
Schouderklachten Mensen met schouderklachten en daarnaast
nekklachten, verdubbelen hun kans op herstel wanneeer ze manuele
therapie krijgen. Dat blijkt uit onderzoek van de Groningse
bewegingswetenschapper Gert Bergman (Annals of Internal Medicine, 21
sept. 2004).
Bergman deed zijn onderzoek aan de afdeling Huisartsgeneeskunde van de
Rijksuniversiteit Groningen. Het onderzoek is onderdeel van het veel
grotere Nederlands Schouder Onderzoek, gecoördineerd door
programmaleider dr. Geert van der Heijden, klinisch epidemioloog bij het
Julius Centrum van het Universitair Medisch Centrum in Utrecht.
Aan het onderzoek deden 150 mensen mee. De onderzoeksgroep van Bergman
bestond uit mensen die met hun klachten naar de huisarts gingen. De
klachten waren niet het gevolg van reuma, een ongeluk, of andere bekende
oorzaak. Alle patiënten kregen de gebruikelijke behandeling door de
huisarts (pijnstillers, ontstekingsremmers en in een kwart van de
gevallen verwijzing naar de fysiotherapeut). De helft kreeg daarnaast
ook nog in twaalf weken tijd maximaal zes behandelingen manuele
therapie. Na deze periode was 43 procent van de patiënten met manuele
therapie hersteld, terwijl van de patiënten die alleen bij de huisarts
waren geweest maar 21 procent was hersteld. Een verschil van 22 procent.
Ook na een jaar waren de positieve effecten van manuele therapie nog te
zien. Het verschil was toen nog steeds 17 procent. Mensen die manuele
therapie hadden ondergaan, hadden dat hele jaar minder pijn een minder
bewegingsbeperkingen.
printversie |

printversie